Nieuws NVKVV
Terug

FRZV programmatie A en K bedden

Advies NVKVV werkgroep GGZ

Minister Frank Vandenbroucke schrijft een belangrijke adviesvraag uit tegen eind september. Enerzijds om in te spelen op de behoefte naar meer acute bedden. Anderzijds over de acute programmatieproblematiek van bedden op neuropsychiatrie voor volwassenen en kinderen (K- en A-bedden) en op gespecialiseerde diensten voor behandeling en revalidatie (Sp-bedden). De werkgroep verpleegkundigen geestelijke gezondheidzorg van het NVKVV boog zich zorgvuldig over deze adviesvraag.

De adviesvraag
Met de adviesvraag gaat de minister voor het eerste luik op zoek naar een globale en objectieve visie die rekening houdt met de realiteit van de zorg, waarin geestelijke gezondheid en somatische problemen geïntegreerd zijn. Zo wil hij de huidige programmatiecriteria beter afstemmen op de zorgbehoeften van vandaag. Een verhoging van de programmatie van een bedindex moet gepaard gaan met een verlaging van een andere bedindex. 

In het tweede luik wil de minister advies over de acute problematiek van de Sp-, K- en A-bedden. Deze bereiken bijna hun volledige programmatie. De vraag luidt als volgt: in hoeverre is, in parallel met de programmatieproblematiek, een herziening van de financieringsregels van deze bedden gewenst?


Advies van de werkgroep GGZ van het NVKVV
Het is niet evident om één advies te formuleren voor het hele land. De programmatiecriteria die de behoefte aan gezondheidszorg in een regio definiëren, worden namelijk medebepaald door de sociaal-economische kenmerken van de bevolking in die regio, de geografische spreiding van die bevolking en de spreiding van de aanwezige GGZ-zorgvoorzieningen. Een duidelijk voorbeeld daarvan is de huidige spreidstand tussen het aantal bedden in de psychiatrische ziekenhuizen in Vlaanderen (10.300), Brussel (830) en Wallonië (4.091) (https://www.health.belgium.be/ d.d.18.07.2018). Bovendien is er door de verschuiving van de zorg van een aantal bedindexen in algemene ziekenhuizen naar de eerstelijnszorg wellicht een overschot.

Vanuit de werkgroep GGZ roepen we dan ook op om niet enkel tussen de soorten bedden te schuiven, maar eerder naar een alternatief zorgaanbod toe te werken. De huidige bedindexen in de GGZ stammen nog uit de jaren 1970. Dit staat haaks op de huidige zorgmodellen, met mobiele teams, uitbreiding van de ambulante zorg, nabehandeling maar ook klinische netwerken waar voorlopig geen uitspraak wordt gedaan over de taken die psychiatrische ziekenhuizen op zich moeten nemen. 

Welke residentiële capaciteit is er vandaag en morgen nodig om te voldoen aan de zorgvraag van de regionale bevolking? Het antwoord op deze vraag hangt af van de zorgvormen die ontwikkeld zullen worden in de geestelijke gezondheidszorg en die gericht zijn op zorg dicht bij de zorgvrager.

  • Daarnaast vraagt de werkgroep zich af waarom de T-bedden, voor langverblijvende psychiatrische patiënten, ontbreken in de adviesvraag? 
  • En waarom is er geen aandacht voor welzijn in deze oefening? Welzijn en gezondheid zijn onlosmakelijk verbonden met elkaar, en de pijler ‘welzijn’ is al te lang onder de radar gebleven. Moet er een gespecialiseerde residentiële programmatie voorzien worden voor specifieke doelgroepen? We denken aan moeder-kindzorg, intensieve residentiële psychotherapieprogramma’s, crisisplaatsen, gedwongen opname, patiënten met externaliserend gedrag …
  • Moeten er programmacriteria bepaald worden voor de zorg aan huis? Is een populatiefinanciering voor een regio een haalbaar alternatief?

Op al deze vragen kan geen snel antwoord gegeven worden zonder gedegen onderzoek en studiewerk.

Wij pleiten dan ook voor een gedegen zandbakoefening die de geestelijke gezondheidszorg van de toekomst uittekent. Daarom dringen we met de werkgroep aan op een herziening van de globale aanpak. Alleen zo kunnen we tot een goed advies komen, met veel kennis van zaken en gefundeerd cijfermateriaal.

Er kan een aanpak op korte termijn uitgewerkt worden, waarbij alle resterende middelen in de programmatie voor de somatische zorg overgedragen worden naar de geestelijke gezondheidszorg. Zo kunnen we snel inspelen op enerzijds de huidige psychosociale noden (bv. K-bedden) en anderzijds de balans tussen somatische zorg en kunnen we de GGZ opnieuw in balans brengen. Deze zorg moet geoperationaliseerd worden binnen een GGZ-netwerk.